Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Situatie in het veld

Volgens het Blauwalgenprotocol 2012 moet men in het veld de aanwezigheid van drijflagen onderzoeken en de omvang en aard van de drijflaag. Daarnaast meet men in de meeste gevallen ook de totale hoeveelheid blauwalgen in de waterkolom en stelt men zo nodig vast of dit potentieel toxische blauwalgen zijn.

Drijflagen

Er worden drie categorieën van drijflagen onderscheiden:

  1. drijflaag categorie I:
    er zijn groene bolletjes of draadjes zichtbaar aan het wateroppervlak, maar er is nog geen sprake van aaneengesloten drijflagen of stank;
  2. drijflaag categorie II:
    er zijn drijflagen aanwezig van beperkte omvang waartussen je het (heldere) water nog kunt zien. De drijflagen beslaan maar een deel van de badzone en er is geen stank;
  3. drijflaag categorie III:
    er is een vrijwel aaneengesloten drijflaag aanwezig met een duidelijke consistentie, waartussen je niet of nauwelijks nog water kunt zien; door rotting kan schuimvorming optreden, verkleuring van de drijflagen en stank.

Drijflagen kunnen ook veroorzaakt worden door andere algen dan blauwalgen of door stuifmeel. Daarom is het raadzaam om een monster van de drijflaag te nemen voor microscopisch onderzoek op een gespecialiseerd laboratorium.

Een drijflaag van de categorieën III leidt tot het hoogste risiconiveau. Bepaling van de hoeveelheid blauwalgen in de waterkolom is dan niet meer nodig en eigenlijk ook niet goed mogelijk.

Bij drijflagen van de categorieën I en II is het risiconiveau niet, respectievelijk licht verhoogd, tenzij de hoeveelheid blauwalgen in de waterkolom anders aangeeft. Deze hoeveelheid zal men bij deze categorieën dan ook moeten bepalen.

Hoeveelheid blauwalgen in de waterkolom

De hoeveelheid blauwalgen in de waterkolom kan men tegenwoordig in het veld meten met een fluoroproob (algentoorts). Hiermee meet men het gehalte cyano-chlorofyl. Als alternatief kan men een watermonster nemen, waaraan men in het laboratorium het biovolume bepaalt van de potentieel toxische blauwalgen (in mm3 per liter). Wanneer het gehalte cyano-chlorofyl groter is dan 12,5 µg/l, kan sprake zijn van een verhoogd risiconiveau. Dit is afhankelijk van het aandeel potentieel toxische cyanobacteriën. Daarom neemt men in dit geval toch een aanvullend watermonster, om het biovolume van alleen de potentieel toxische blauwalgen te kunnen bepalen.